Merel Schelland | liefdevolle bouwlamp

Helder zicht in de diepte.
Voor wie durft.

Wat is er te horen, te voelen, te ‘sensen’ achter en onder het hier en nu?

Welke overtuigingen, waarden en diepere verbanden geven vorm aan wat er van dag tot dag bij jezelf of in je organisatie speelt?

Waar komen we jouw of jullie werkelijke bezieling in tegen, en wat vertelt die ons over wat van waarde is?

En wat betekent dat voor wat je te doen staat?

Lees verder →

Wie ik ben

Merel Schelland

Ik help je helderheid vinden in wat er echt toe doet.

Al mijn werk draait om dieper luisteren, voorbij de taal van de snelle denkers, soepele praters. Ik schijn licht op wat er onder de woorden verborgen ligt.

Ik kom tot de kern; ik kan niet anders. Ooit studeerde ik daarom natuurkunde (ik wilde de wereld begrijpen), later haptonomie, om woorden te vinden voor alles wat er te voelen is. Inmiddels voel ik me thuis in mijn vak als geestelijk begeleider, steeds weer afdalend naar de diepte en het mysterie van ons bestaan.

Ik help je door alle lagen heen met hetzelfde: de essentie vinden, op de momenten dat er iets op het spel staat.

Samen vinden we woorden, beelden en eventueel rituelen die recht doen aan wat er in de diepte is, die er een lijntje naartoe spannen en houvast geven. Zodat je steeds opnieuw kunt kiezen voor wat werkelijk waardevol voor je is.

Ze zet een liefdevolle bouwlamp op je binnenste. Renée over Merel
Meer over mij →

Werk

Helder zicht in de diepte, voor keuzes die kloppen.

Mijn werk heeft verschillende vormen: ik schrijf teksten voor organisaties en de krant; ik spreek mensen in hun zakelijke context of aan hun keukentafel; ik werk met groepen die samen iets uit te zoeken hebben.

Altijd gaat het erom, dwars door al het dagelijkse en ‘gewone’ heen, zicht te krijgen op wat er in de diepte het meeste toe doet. En dat als richtingwijzer bereikbaar te houden wanneer het dagelijks leven weer verdergaat.

Drie voorbeelden:

Opklaringsgesprekken (of: Bouwlampgesprekken)

Voor snelle denkers op een kruispunt of op een weg die al erg lang rechtdoor lijkt te gaan. Wanneer je inmiddels echt wel hebt leren voelen, prima kunt analyseren hoe je leven in elkaar zit, maar toch een onbestemd verlangen bij jezelf bespeurt. Hoe kom je bij je eigen diepte? Een reeks van drie tot vijf gesprekken, waarin we samen op onderzoek uitgaan, en je helderder gaat zien wat er voor jou het meest toe doet.

Geestelijke begeleiding

Begeleiding bij levensvragen, zingeving en grote overgangen. Vanuit een brede, niet-confessionele achtergrond. Voor iedereen die durft stil te staan bij zijn levenspad om opnieuw richting te bepalen.

Advies en begeleiding in organisaties

Voor teams en organisaties die voorbij hun patronen de diepte in willen, omdat ze weten dat ze daar iets te leren hebben. Adviestrajecten waarin we de ziel van jullie organisatie leren kennen, die ik jullie help vangen in heldere tekst die houvast geeft.


Meer over mijn werk →


Brieven

Briefwisseling met Jan Beuving

Elke maand schrijven mijn beste vriend Jan en ik elkaar een brief in het Nederlands Dagblad. We hebben het over de diepte, over wat onzichtbaar blijft en tegelijk de wereld kleurt, over alles wat we niet kunnen bewijzen.

Merel
Brief van Merel

Ha Jan!

September, het normale leven is weer begonnen. Heb jij ernaar uitgekeken? Ritme, voorspelbaarheid, focus – alles weer z’n gangetje en weten waar je aan toe bent?

Vorige maand nog was alles veel bijzonderder. We wezen onze gezinsleden uit het autoraam op de uitzichten, aten stinkerige kaasjes en knapperige baguettes, vonden een hagedisje of een schildpad of een kwal. En toen kwam ook nog die zonsverduistering.

Ik zag een foto van je zoon, en foto’s van mijn eigen kinderen op vakantie met hun vader, met brilletjes op hun neus, omhoog turend. Ik zag tijdens de NOS-livestream (want wie in het nu leeft heeft niet op tijd een eclipsbril of kijkdoos paraat) Peter Kuipers Munneke en Albert Bos verrukt vertellen over zonnevlammen en parelsnoeren. Ik zag twee stralende Nederlandse broers die in twintig uur naar een Spaanse berg waren gereden om de volledige verduistering te zien, en ik zag dijken en stranden vol juichend publiek.

Het ontroerde me, al die mensen die zo zichtbaar vol verheug en vol ontzag – zo vol liefde waren. We kunnen het nog. We doen het nog. Ons verwonderen, geraakt worden door wat groter is dan wij, door wat we niet kunnen bevatten, door het prachtigs. Het is niet vaak te zien, dit fantastische menselijke vermogen op zo’n grote schaal, zonder enige schaduw van meningen, zorgen of cynisme. Al helemaal niet op het nieuws. Maar gelukkig: we zijn er nog toe in staat, in zo’n bijzonder geval.

En nu is alles weer gewoon.

Maar Jan, toen ik vanmorgen door het park fietste zag ik een jong fazantje steeds opnieuw naar een net te hoog blaadje springen. Als ik hier in de stad uit mijn raam kijk zie ik meer dan tien verschillende soorten bomen – met zingende vogeltjes erin. We bewonen een planeet waarop gelachen wordt. En elk moment waait er weer adem en daarmee leven door ons heen. De wonderen zijn overal. Naar mijn idee zijn veel daarvan nog veel wonderlijker en prachtiger dan de maan die eens in de heel veel jaar precies ons zicht op de zon blokkeert. Ze vallen ons alleen minder op, omdat ze er voortdurend zijn.

Als het simpele kruisen van die ruimtelijke banen al zo veel verwondering kan veroorzaken, wat is er dan wel niet mogelijk als we ook in september écht om ons heen zouden kijken? En luisteren, en voelen? En wat zou dat betekenen voor hoe we leven, en hoe we met elkaar en de wereld omgaan?

In verschillende religies wordt verwondering als ingang naar het heilige gezien. Ik denk dat het, waar je als mens ook maar in gelooft, een heilzame ervaring is om je te (laten) verwonderen. Zeker nu zoveel door de mens bepaald lijkt te worden, en de luchten dreigend zijn. In verwondering kun je toch alleen maar liefde voelen voor het onbevattelijke Andere?

Maar hoe dan hè, in september, als je alles al een keer gezien hebt? In het boeddhisme heb je het oefenen van een beginnersgeest; mij net iets te vaak uitgewerkt in het aandachtig eten van een rozijn. Je kunt ook (veel leuker vind ik zelf) met jonge kinderen op pad gaan, of desnoods doen alsof, en ze wijzen op de wonderen die je tegenkomt. Ik weet dat jij daar een groot talent voor hebt. Wat wijs jij aan vandaag?

Liefs! Merel

Jan
Brief van Jan

Merel!

De dag van de eclips was voor mij de ontroerendste van het jaar. Ik reed een halfuur voor die foto van onze zoon het dorp uit. In het weiland aan de rand van het dorp hadden zich honderden verzameld omdat daar vrij uitzicht op de westelijke avondhemel was. Stoeltjes, kleedjes, koelboxjes, de fietsen en auto’s en bolderkarren in de bermen geparkeerd, zo zaten de mensen daar, vluchtig en nietig ten opzichte van die hemellichamen, terwijl ze de brillen aan elkaar doorgaven. Een avondmaal waar geen brood maar licht werd gedeeld. Juist omdat er minder van was, leek er meer van te zijn; een wonderbare vermenigvuldiging. Ik moest bij de aanblik van die mensen sterk denken aan een strofe uit het liedboek – een vertaling van Schulte Nordholt:

O vrede van Tiberias,
o heuvels in het rond,
waar Jezus in het zachte gras
de mensen liefhad en genas
en in hun midden stond.

Zacht was het gras allerminst die avond. Alles was geel van de droogte – het was een krakende, bosbrandende zomer – en toch zag je de zachtheid daar in dat weiland. Op de verschroeide aarde bloeide de naastenliefde, alsof in een negatief van dat verduisterde zonlicht het duister dat onze wereld treft juist een beetje lichter werd.

Op grijzere dagen, als ik in het perpetuum mobile van het huishouden weer eens naar ons grauwe, om een parkeerplaats heen gebouwde winkelcentrum fiets, beeld ik me weleens in dat ik op fietsvakantie in het buitenland bij precies dit winkelcentrum aankom. Wat zou ik er dan blij mee zijn! Een supermarkt, een bakkertje, zelfs een fietsenmaker – ik zou weer een dag vooruit kunnen.

Het grootste wonder, te midden van al die fazantjes, vogeltjes en slappe lachen die ons gaande houden, is dat we leven. Ontelbaar veel wegen waren er die niet naar ons bestaan leidden, maar midden in die oneindigheid ontstonden wij! (En de rozijnen.) Op mijn goeie dagen probeer ik dat steeds weer aan te wijzen, dat we er zijn, dat we er samen zijn. Zie de vakkenvullers elkaar vrolijk pesten tussen de schappen. Hoor hoe de vuilnismannen en -vrouwen fluitend hun choreografie met de kliko’s uitvoeren. Kijk hoe zelfs tussen de puinhopen van natuurgeweld en oorlog gezocht wordt naar elkaar.

In de zomer van 2014 woonde ik vlakbij de A27. Vier dagen op rij fietste ik naar het viaduct om de stoet van rouwauto’s te groeten die de slachtoffers van de MH17-ramp naar huis bracht. Al die mensen die zagen hoe de snelweg eerst leger en toen leeg werd, hoe de stilte intrad, hoe de stoet met escorte voorbijkwam, en hoe het leven daarachter weer zijn gang hernam. Ik kende niemand die in het vliegtuig zat, maar nog altijd, ook nu ik dit schrijf, kan ik niet zonder te huilen terugdenken aan dat moment. Hoe die mensen, beroofd van het wonder van het leven, alsnog gezien werden. Hoeveel lelijkheid en kwaad er ook was en is (en zal zijn vrees ik), de naastenliefde heeft het laatste woord.

Dat probeer ik te zoeken, denk ik. Dat geloof, dat het wonder van samen mens-zijn overwint. ‘Iemand begint vandaag je lievelingsboek te schrijven’, schreef Jurrian van Dongen ooit in een lied voor iemand die het even niet meer ziet zitten. Zo’n hoopvolle zin. We leven, Merel! We mogen leven! En ook als je in september alles gezien hebt, geldt: deze dag was er nog niet. Nooit eerder in de geschiedenis is-ie voorbijgekomen, nooit meer zal-ie er zijn. Laten we hem omarmen.

Liefs! Jan

Jan
Brief van Jan

Lieve Merel,

Bestaat de vrije wil?

Ik dacht: ik begin een keer met de vraag. Die komt niet uit de lucht vallen, maar uit het boek dat ik vanmorgen uitlas, terwijl ik je eigenlijk een brief moest schrijven. Het boek is zo goed dat je zou gaan geloven dat er geen vrije wil is: het boek wilde dat ik het las, dwars door alle deadlines heen. Wat ongezegd blijft heet het, geschreven door Elizabeth Strout (en vertaald door Lucie van Rooijen). Ik kan me recent geen betere roman herinneren.

Nu ik de titel opschrijf, zie ik hoe goed die gekozen is. Wat deel je met de mensen om je heen, en wat houd je geheim? Waarom is het soms zo moeilijk om te praten met mensen die je dierbaar zijn? Is het schaamte voor je verhaal? Angst voor de reactie? En hoe ga je de eenzaamheid te lijf die met het zwijgen gepaard gaat?

De vraag over de vrije wil komt ineens op in Artie Dam, de hoofdpersoon van het boek. Het is een vraag die veel mensen met een gelovige achtergrond bekend zal voorkomen, omdat die op gespannen voet lijkt te staan met het principe van de predestinatie – het idee dat in de schepping het doel van de dingen en de mensen al vastligt (maar ik vat het vast te kort door de bocht samen).

[Op deze plek was ik eigenlijk begonnen aan een verhandeling over de eerste vraag en antwoord uit de Heidelbergse Catechismus, dat zonder de wil van de hemelse Vader geen haar van je hoofd vallen kan, maar zo op de drempel van de zomer, in de dikke hitte van deze junidag stond het me ineens allemaal tegen, de in zondagse pakken gestoken, rechtop in stramme kerkbanken beleden serieusheid van dit alles – het haalde alles weg van de diepe menselijkheid die ik in het boek aantrof en die me zo raakte dat ik het in tienvoud wilde kopen en aan allemaal mensen cadeau wilde doen. Ik zal niet zeggen dat je de Bijbel gerust thuis kunt laten en alleen dit boek in je vakantiekoffer hoeft te doen, maar ik geloof dat ik het nu toch al opgeschreven heb, en ik ben ervan overtuigd dat dit boek veel dichter op de huid van deze tijd, en toegankelijker ook, precies dat belijdt waar de Bijbel in essentie op neerkomt, namelijk dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Ik weet niet zo goed, en mijn archief is te chaotisch om het na te zoeken, of ik je al eens schreef dat ik ooit aan de dominee vroeg wat je dan moest doen met je naasten als je jezelf haatte, en dat hij toen zei ‘dan moet je eerst van jezelf leren houden’ – ongeveer dat is waar Artie in het boek ook achter komt, en zodra hij dat doet, kan hij weer liefde uitdelen. En ontvangen – ergens op twee derde van het boek zit een scène die zo’n ontroerende (en meesterlijk geschreven!) illustratie van het begrip ‘genade’ is, dat je weet dat een mens die een ander mens echt ziet, altijd krachtiger zal zijn dan welk algoritme of meedogenloos regime ook.]

Een paar weken geleden belde ik je omdat ik met een probleem zat. Ik had iets onzorgvuldigs gedaan waar ik me voor schaamde, en jij luisterde, liet het bestaan, relativeerde wat, zag me. Laat niet ongezegd blijven hoe waardevol het is als je zulke mensen hebt in je leven. Dank je wel.

Het kan me geloof ik niet zo veel schelen of de vrije wil bestaat. Wij mensen bestaan, in al ons spreken en zwijgen, vermogen en onvermogen, leven en lot – daar gaat het om. Laat me daarom dit vragen: wat maakt ons eigenlijk mens?

Liefs! Jan

Merel
Brief van Merel

Lieve Jan!

Jaren geleden alweer kwam ik op een zomers familiefeest aan tafel terecht met een verre nicht. Ik was benieuwd hoe het met haar en haar gezin ging en hoe ze haar langverwachte moederschap beleefde. In plaats daarvan praatten we zeker een halfuur lang over waar de waterpistolen van mijn kinderen vandaan kwamen en bij welke discounters er vermoedelijk ook buitenspeelgoed te vinden zou zijn. Er is zo veel ontroerends, prachtigs, verschrikkelijks en grappigs te vinden en te bespreken in de wereld. Maar wij vulden onze kostbare gezamenlijke tijd met een gesprek over de schappen van de Action, en het lukte me maar niet om daar voorbij te komen.

Wat het ook maar is dat ons mens maakt; eenzaamheid in gezelschap lijkt een soms onontkoombaar onderdeel van de beleving te zijn. In ieder geval voor mensen die zich, ook in de bloedhitte, ook tussen de rennende en spetterende kinderen, zelfs boven een plastic bordje met aardappelsalade, afvragen wat het betekent om moeder te zijn, en of er zoiets bestaat als de vrije wil. Soms lijkt de afstand tussen je binnenwereld en de buitenwereld simpelweg niet te overbruggen, hoe hard je het ook probeert. Het gesprek blijft maar bewegen rond feitjes en gekeuvel, en voor de diepte lijkt geen taal te bestaan die je allebei spreekt. Wat er echt toe doet, blijft ongezegd – ik vind dat moeilijk te verdragen.

Daartegenover staan momenten van onverwacht en daverend geluk; genade, zo je wilt. Deze week nog: mijn beste vriend kwam me op zomaar een maandagavond een boek bezorgen dat hem geraakt had. En in dat boek bleek ook nog die uiterst intieme ervaring van alleen-zijn tussen de mensen zó precies beschreven te zijn, dat ik wist: ik ben niet alleen. Zelfs in die eenzaamheid zijn we verbonden.

Juist omdat het niet vanzelf spreekt, is het zo’n wonder om elkaar in de diepte ineens te ontmoeten. Gezien te worden door iemand, maar ook: de ander te kunnen en mogen zien, en iets in elkaar te herkennen. Achter de rollen, conventies en woorden een glimp op te vangen van het licht in de ander, en te weten: jij voelt mijn licht ook. Ik vermoed dat we daar allemaal bewust of onbewust naar verlangen.

Vergis je dus niet in wat er gebeurt wanneer jij me opbelt met je ziel onder je arm. Natuurlijk: ik luister, en ik hou alvast van je, ook als jij even niet van jezelf kunt houden, ongeacht wat er te vertellen is. We delen genoeg taal om elkaar al zoekend te kunnen verstaan. Maar jij doet iets groots en engs, iets wat als zo risicovol wordt gezien dat het vermijden ervan een uitdrukking en aanmoediging op zichzelf is geworden: je laat je kennen. Je geeft me vertrouwen en toegang, en het enige wat ik hoef te doen is die heilige grond op blote voeten betreden.

Ik ben ervan overtuigd dat we bedraad zijn voor dit soort ontmoetingen, ook al vinden we lang niet altijd de verbinding. Zelfs op Instagram, niet het diepzinnigste medium dat we hebben, kwam ik laatst deze uitspraak tegen: Thank you for engaging in the mortifying ordeal of being known, so that I may partake in the euphoric experience of knowing you. Dank je wel dat je je laat kennen. Het is me een ongelooflijk groot geluk.

Liefs! Merel

Merel
Brief van Merel

Ha Jan!

Waarom ben jij eigenlijk wiskundige?

Ik bedoel: ik weet nog dat je afstudeerde, ik was er zelf bij. Maar hoezo, met dat associatieve hoofd vol anekdotes en poëzie, koos je voor die exacte studie? Begrijp me niet verkeerd: ik ben blij dat je het deed; ik had je er anders niet leren kennen. Zonder je wiskundige vorming was je lied over de laatste stelling van Fermat er daarnaast niet geweest, om over je tangenskraker nog maar te zwijgen. Ik vind het altijd stom als mensen de wereld opdelen in alfa’s en bèta’s. En toch. Waarom deed jij die studie eigenlijk?

Laatst betrapte ik mezelf erop dat ik in een voorstelrondje zei ‘oorspronkelijk ben ik natuurkundige…’ Het is een zinnetje dat ik ontelbare keren heb uitgesproken, maar ineens voelde het onzinnig. Alsof mijn leven pas begon toen ik mijn diploma op zak had, en daar niet al een kwarteeuw leven, denken, dromen aan voorafgegaan was. Alsof wat ik ‘oorspronkelijk’ was niet een onuitsprekelijk mysterie is. Alsof die natuurkunde me definieert.

Ik heb wel een vermoeden waarom ik, met mijn filosofische hoofd vol verhalen en intuïtief weten, koos voor mijn exacte studie, en eraan vasthield. Natuurlijk: ik wilde zo slim mogelijk worden, ik kon niet kiezen en koos iets breeds; ik heb een neiging tot grondigheid en dus werd het de moeder der wetenschappen. Maar wat zeker ook meespeelde: het was een toegangsticket tot de mannenwereld, een plek waar ik me moest en zou bewijzen. De natuurkunde verleent me sindsdien status en vertrouwen; steeds als een man me onderschat, kantel ik daarmee het beeld. Handig.

Maar ook wel wat beperkend.

Want toen ik met die bagage en vanaf die nerdy apenrotspositie haptonomie ging studeren, me verdiepte in systemisch werk, en als klap op de vuurpijl begon aan een opleiding tot geestelijk begeleider, voelde dat, naast volkomen logisch en steeds completer, ook een beetje stiekem. Gevaarlijk, bijna. Als mezelf tot gekkie verklaren, mijn imago van verstandig mens (al dan niet allround, zoals hier vaak in de intro staat) te grabbel gooien. Wat ik niet had voorzien toen ik als achttienjarige aan mijn studie begon, is hoe bepalend die zou worden voor het beeld dat anderen en ikzelf van mij zouden hebben. En hoe bepalend dat beeld dan weer voor mijn toekomstige zelf zou zijn. Dat ik jarenlang zou vergeten dat mijn oorsprong ergens anders ligt, en dat de impliciete geloofsbelijdenis van de bètawetenschapper – er is slechts wat wij kunnen meten – niet de mijne is.

Ik heb geen spijt van mijn studiekeuze. Ik heb er inderdaad scherp leren denken, en ik heb er fantastische mensen ontmoet. Maar ik heb inmiddels wel mijn bedenkingen bij het label ‘natuurkundige’. Het is me te groot, te dominant. Ik zal het zelf dat formaat gegeven hebben; dat hielp in de bewijsdrang. Inmiddels mag het kleiner, onopvallender, ergens in de diverse verzameling etiketten die nog meer op me te plakken zijn. Ze schieten allemaal tekort, al hebben ze allemaal hun nut. Zolang ik maar onthoud: mijn essentie past niet in een sticker.

Noem jij jezelf nog wel eens wiskundige? En hoe is dat nou toch eigenlijk gekomen?

Liefs! Merel

Jan
Brief van Jan

Merel!

Lang geleden, steeds langer geleden is het, was ik een jongetje dat een fascinatie voor puzzeltjes had. Puzzeltjes van het kaliber ‘verplaats één lucifer, en maak dit kloppend’ of ‘verbind deze punten met zo min mogelijk rechte lijnen’. Ik deed op zeker moment ook met mijn vader mee als hij op zondag uit de kerk het Scrypto in NRC invulde. Ik weet nog wat de eerste omschrijving was die ik zelf oploste: ‘Hop. (5+2+2+8)’

In 6 vwo zei onze decaan tegen mij: ‘Tsja Jan, als je de hele dag puzzeltjes wilt oplossen, dan zit er maar één ding op: dan zul je wiskunde moeten gaan studeren.’ Hij wist waar hij het over had, want het was ook onze wiskundedocent. Wiskunde als studie was eerlijk gezegd nog nooit in me opgekomen. Ik vond het vak leuk, ik hield vooral van de meetkundeopgaven, maar ik blonk er niet in uit. Ik had hogere cijfers voor Latijn en Frans. Ik was dol op onze Fransdocent, maar die zei toen ik suggereerde of ik niet Frans moest studeren: ‘Dat is ook een heleboel saaie grammatica en andere ellende. Die boeken en de taal waar je zo van houdt, daar kun je ook zonder studie van genieten. Misschien wel meer.’

Ik ging naar de open dag van wiskunde. Mijn moeder – gezegend met vele talenten, maar wiskunde daarvan niet het grootste – ging mee. Terwijl wij uitleg kregen over vierdimensionale kubussen, zat zij naast me een boodschappenlijstje te maken, omdat ze er niets van begreep. Wat mij vooral bijstaat is hoe leuk al die docenten het vonden, wat ze stonden uit te leggen aan de scholieren. En ze zaten heel hard te lachen om elkaars praatjes. Het waren vakidioten, in de beste en vrolijkste zin van het woord.

Vergelijk dat eens met de twee uitgebluste docenten die mijn mondeling schoolonderzoek Nederlands afnamen. Ik moest ‘November’ van Achterberg analyseren. Ik kreeg een zes. Terecht, trouwens: ik begreep er amper iets van. De anekdotes en poëzie waar jij me mee associeert, daar had ik nog geen oog voor. Terwijl, in dat gedicht zit de strofe ‘De wereld heeft derde dimensie over. / Stakerig staan de bomen zonder lover.’ De wiskunde zat erin! Ik zag haar niet. De liefde van die wiskundigen zag ik wel.

Dus hup, naar wiskunde. Een vak dat overigens vol associëren en poëzie zit. Het gaat over waarheid, maar het grootste deel ervan bestaat helemaal niet in de werkelijkheid. (Misschien dat je daarom onder wiskundigen zoveel meer gelovigen vond dan bij natuurkunde: ze zijn gewend aan dingen die ze niet zien.) Ik was er niet goed in, maar ik hou ervan zoals een amateur van voetbal houdt. Ik die zin noem ik mij nog met liefde wiskundige.

Zijn wij mensen niet cumulatieve wezens? Een optelsom van onze jaren, gedachten, keuzes, liefdes, fouten en alles wat ons mens maakt? Sommige van die jaren bepalen je meer dan andere. Zoals je in het gezin waar je uit komt, vaak weer vervalt tot wie en hoe je daar als kind was – vandaar dat Kerstdiners met de familie zo ingewikkeld kunnen zijn: je bent allemaal veranderd, maar je wringt je met elkaar in een oude mal.

We veranderen, Merel. Goddank, zou ik willen zeggen – het betekent dat we leven. (Leven in de brouwerij – het antwoord bij ‘Hop’.) Je studeerde natuurkunde, maar het definieert je niet. Het zal wel altijd aan je kleven, hoezeer je ook niet op een sticker past. Het zegt iets over wie je was, en dus over wie je zult zijn. De kunst is in je leven mensen te vinden die in al die veranderingen met je mee durven en willen gaan. Weet dat ik de jouwe allemaal omarm.

Liefs! Jan

Alle brieven lezen →

Ja, er knaagt wel iets…

Nieuwsgierig? Ik ook! Bel of mail me voor koffie en een verkennend gesprek.

merel@senst.nl